Wilco Achterberg over de richtlijn Pijn bij ouderen

Pijn bij ouderen

Pijn is een belangrijk signaal dat kan wijzen op een onderliggende ziekte of aandoening. Ouderen ervaren vaker en heviger pijn en kunnen dit anders uiten. Daarom is het tijdig signaleren, beoordelen en behandelen van pijn juist bij deze groep van groot belang. Daarnaast komen bij deze groep ook vaker andere soorten ziekten en aandoeningen voor dan bij de reguliere bevolking. De huidige Verenso-richtlijn Pijn bij kwetsbare ouderen is in 2011 gepubliceerd. Sinds het voorjaar van 2025 werkt SKILZ aan de herziening van deze richtlijn.

Wilco Achterberg is voorzitter van de werkgroep voor de SKILZ-richtlijn Pijn bij ouderen. Wilco is vanaf 1989 arts en sinds 1996 verpleeghuisarts, de tegenwoordige specialist ouderengeneeskunde. Sinds 2010 is hij hoogleraar Ouderengeneeskunde in Leiden. Hij heeft samen met Verenso onderzoek gedaan naar de implementatie van de huidige richtlijn uit 2011. Verder is hij onder andere betrokken geweest bij de ontwikkeling van diverse pijnmeetinstrumenten en heeft hij vele pijnonderzoekers begeleid en opgeleid.

Wilco: “Als verpleeghuisarts, zoals dat toen nog heette, kwam ik mensen met dementie tegen die bijvoorbeeld een heupfractuur hadden maar geen pijn aangaven. Dat vond ik heel merkwaardig. Tijdens mijn promotietraject kwam ik in contact met Erik Scherder en leerde ik meer over het brein. We hebben samen een aantal artikelen gepubliceerd en zo ben ik bij het onderwerp pijn terechtgekomen.

Meetinstrumenten voor pijn

Tijdens mijn vicevoorzitterschap van een Europese groep over pijn bij mensen met een cognitieve beperking is mijn belangstelling voor het onderwerp nog verder aangewakkerd. Eigenlijk is pijn bij dementie toen mijn grote hobby geworden. We hebben destijds een meetinstrument voor pijn gemaakt, de PAIC15. We werkten samen met mensen uit elf verschillende Europese landen en sterk uiteenlopende disciplines zoals psychologen, artsen, methodologen, statistici, van alles en nog wat, heel inspirerend. Ik heb dat werk voortgezet en begeleid bijvoorbeeld promovendi die zich met dit onderwerp bezighouden. Vaak gaat het dan over pijn en gedrag want daar zit veel overlap tussen.

Er is sinds de publicatie van de huidige Verenso-richtlijn Pijn bij kwetsbare ouderen nogal wat veranderd. Definities van pijn zijn de afgelopen jaren aangepast, er is nieuwe kennis opgedaan en er zijn meetinstrumenten ontwikkeld. Er is ook meer bekend over farmacologische en niet-farmacologische behandelmethoden. De doelgroep is de afgelopen vijftien jaar bijna verdubbeld (!) dus het is logisch dat er op grote schaal onderzoek wordt gedaan waar weer nieuwe inzichten uit naar voren komen. 

Nieuwe pijnsoort

Er is sinds 2011 zelfs een nieuwe pijnsoort ‘bijgekomen’. We hadden nociceptieve pijn, dat is pijn door weefselschade, en neuropathische pijn, pijn door zenuwletsel. Maar we wisten natuurlijk al langer van mensen met chronische pijn dat er ook een derde soort is. Die pijn noemen we tegenwoordig nociplastische pijn, pijn die pijn genereert, zou je kunnen zeggen. Mede hierdoor is de huidige richtlijn niet meer up to date.

Ondanks alle nieuwe inzichten is het belang van het herkennen en signaleren van pijn nog niet overal doorgedrongen. Ik doe ook onderzoek naar pijn bij ouderen met andere ziektebeelden dan dementie. Daar zie ik dat bij alle ziekten pijn het meest voorkomende symptoom is maar het minst herkend wordt door medische specialisten, behalve misschien bij reumatologie. Dat heeft natuurlijk grote gevolgen voor de cliënten.

Langer zelfstandig leven

In de richtlijn gaat het om kwetsbare mensen. Mensen die soms cognitief beperkt zijn maar die in ieder geval altijd meerdere ziekten hebben. Als maatschappij willen we dat ook deze groep langer voor zichzelf zorgt en langer zelfstandig is. Pijn werkt daar enorm belemmerend bij. Maar ook probleemgedrag komt bijvoorbeeld vaak voort uit pijn.

Bij de implementatie van de huidige richtlijn hebben we gezien hoe complex de pijnproblematiek bij deze groep ouderen is. Je kunt meestal niet zomaar test A doen en middel B geven zoals bij sommige pijnklachten bij minder complexe patiënten. Er zijn al gauw meerdere disciplines bij betrokken dus dan gaat het over afstemming en de inzet van de juiste disciplines. Het financiële aspect komt ook al snel om de hoek, mag er bijvoorbeeld vanuit de zorgverzekering een fysiotherapeut ingezet worden? Deze complexiteit maakte de implementatie van de richtlijn lastig.

Van richtlijn naar praktijkverbetering

De nieuwe richtlijn is multidisciplinair en ook echt bedoeld voor mensen op de werkvloer. De richtlijn is niet alleen kennisdeling maar moet ook handvatten bieden voor de praktijk zodat dingen opgelost kunnen worden. Een richtlijn ontwikkelen alleen is niet genoeg, het gaat erom dat er iets verandert in de praktijk. Het is heel belangrijk dat we daarop inzetten, we moeten de geitenpaadjes zoeken naar praktijkverbetering.

Binnen de richtlijn zullen we een onderverdeling moeten maken tussen de groep mensen die cognitief en communicatief goed is en de mensen die niet (goed) meer zelf kunnen communiceren. Dat geldt bijvoorbeeld voor een grote groep cliënten met afasie na een beroerte en voor dementie. Er is zeker overlap met de richtlijn Pijn bij mensen met een verstandelijke beperking dus daar gaan we ook goed naar kijken, het is natuurlijk zonde om dubbel werk te doen.

Gelukkig staat het onderwerp volop in de actualiteit en heeft het prioriteit voor de komende jaren in de zorgwereld. Dat is hard nodig om de zorg voor ouderen te verbeteren dus ik ben daar heel blij mee. Als deze nieuwe richtlijn Pijn bij ouderen daar ook aan bijdraagt, ben ik uitermate tevreden.”